Fokdoel
Fokken, met welk doel?
Het officiële fokdoel is het fokken van een gezond, vruchtbaar en duurzaam paard – een robuust IJslands paard. De IJslander wordt gefokt als een rijpaard dat veelzijdig inzetbaar is en geschikt is voor verschillende soorten ruiters. Het gebruik van het paard is in de eerste plaats gericht op zijn kwaliteiten als rijpaard, aangezien het gebruikt wordt voor recreatief rijden, lange ritten en diverse soorten wedstrijden. Daarnaast is het doel een karakter te fokken dat het paard geschikt maakt voor al deze verschillende rollen. De speciale nadruk ligt daarbij op het fokken van een kalm, vriendelijk en meewerkend paard. Het paard moet moedig en betrouwbaar zijn, zowel in de omgang als tijdens het rijden.
Onderdeel van het fokdoel is het behoud van alle mogelijke variaties in vachtkleur binnen het ras. Er moet echter rekening mee worden gehouden dat sommige kleurvariaties samenhangen met genetische of fysieke gebreken die moeten worden vermeden.
Het fokdoel biedt ruimte voor aanzienlijke variatie in grootte. De meeste IJslandse paarden hebben een schofthoogte van 135-146 cm. Een gewenste schofthoogte is minimaal 138 cm.
Exterieur
Het exterieur moet functioneel zijn en de gezondheid en duurzaamheid van het paard bevorderen, waarbij draagvermogen, de natuurlijke gangenaanleg en het vermogen om onder een ruiter te bewegen in balans en correcte houding van het grootste belang zijn. Het exterieur moet ook gekenmerkt worden door schoonheid en een aansprekend uiterlijk, met de nadruk op kracht en een gespierd lichaam.
Gangen
Het doel is om een gangenpaard te fokken dat van nature een ruiter in balans kan dragen, een goede zelfhouding heeft en er prachtig uitziet tijdens het rijden; een paard dat wendbaar en tredzeker is, en een goed uithoudingsvermogen heeft – een echte IJslandse gæðingur.
Het belangrijkste doel is dat de gangen een correcte takt en houding hebben, en dat het paard vrij en gelijkmatig beweegt. De gangen moeten bovendien beschikken over souplesse, lichtheid, ruime passen en snelheid.
Het paard moet in elke gang met gemak in de juiste lichaamshouding kunnen bewegen. De bewegingen moeten vrij en ongedwongen zijn. Het paard moet zowel in staat zijn tot verzameling als tot het verruimen van de passen met verhoogde stuwkracht in snellere tempo’s.
De IJslander kent, naast de gangen stap, draf en galop, twee bijzondere gangen: tölt en telgang.
Tölt & telgang
De tölt heeft een zuiver en gelijkmatig viertakt ritme, is voor de ruiter zeer comfortabel, soepel, met lange passen en hoge en ruime bewegingen. Het ideale töltende paard loopt in balans, met zeer lichtvoetige en elastische bewegingen die vloeiend door het lichaam lopen. Het paard loopt bergopwaarts, met een goed opgerichte hals, een lange en soepele bovenlijn, een dragende, elastische rug en actieve en soepele achterhand. Het paard behoudt de kwaliteit van de tölt in alle tempi, van langzaam tot snel.
De ideale telgang is een taktzuivere, zekere gang met lange passen en elegante bewegingen, en een hoge snelheid. Het paard in telgang is uitstekend in balans, heeft een groot zweefmoment en toont lichtheid met een correcte houding. De bovenlijn is lang en er is draagkracht in de rug, waarbij het paard het hoofd en de hals naar voren strekt. Een paard in snelle rentelgang loopt 100 meter in minder dan 8 seconden.